Inleiding
Juan Crisóstomo de Arriaga schreef zijn vroegst bekende composities op elfjarige leeftijd. Geruime tijd voor hem, en vele decennia daarna, bereikte geen enkele andere Spaanse componist vergelijkbare creatieve hoogten. Zijn vroege dood aan tuberculose maakte een einde aan de ontwikkeling van een potentieel belangrijke figuur.
In 1818 schreef Arriaga zijn eerste orkestwerk, de Ouverture, Opus 1. Het jaar daarop voltooide de dertienjarige componist zijn opera Los esclavos felices naar L.F. Comella y Comella. Het ging in première in Bilbao in 1820. De ouverture en fragmenten van de aria’s zijn bewaard gebleven. In 1821 ging Arriaga naar Parijs, waar hij viool studeerde bij Pierre Baillot (1771-1842) en compositie en contrapunt bij François-Joseph Fétis (1784-1871). Luigi Cherubini prees zijn uitzonderlijke talent. In 1824 bracht de Parijse uitgever Philippe Petit de partijen uit van Arriaga’s drie strijkkwartetten, in D mineur, A majeur en Es majeur; deze werken vonden vervolgens hun plaats in het gevestigde repertoire. (De opname van het Guarneri Quartet voor Philips is voortreffelijk). In het laatste kwart van de 19e eeuw ontdekte en verspreidde Emiliano de Arriaga de muziek van zijn grote voorvader en noemde hem de “Spaanse Mozart”.
Arriaga componeerde deze symfonie in D in 1824 of 1825 in Parijs en is hier voor het eerst beschikbaar als studiepartituur. Het is een van de beste bijdragen van het tijdperk aan dit genre, geniet internationale populariteit en verleent belangrijke betekenis aan de naam Arriaga voor toekomstige generaties. De datum en plaats van de eerste uitvoering konden helaas niet worden achterhaald.
De huidige publicatie is een herdruk van de eerste editie in 1930 die werd uitgegeven door José de Arriaga (de zoon van Emiliano de Arriaga).
Symfonie in D
De symfonie in D is geschreven tijdens Arriaga’s tijd aan het conservatorium en is daar waarschijnlijk één keer uitgevoerd. Als Arriga niet zo verlegen was en dus wegbleef bij de première, had zelf zijn orkestrale meesterwerk kunnen horen. Het is een vlot bedacht en uitgevoerd werk, dat niet alleen gemakkelijk is te spelen, maar ook overeenkomt met de klassieke symfonische vorm.
Het eerste deel is een kolkend allegro in D-mineur, maar het begint met een lange, langzame inleiding in de parallelle toonsoort van D-majeur. Het deel begint als een Sturm-und-Drang-expositie, vol dissonante donderslagen en angstaanjagende hartsslagen door de strijkers. Bijzonder vernuftig is het consequente hergebruik van motieven; delen van het hoofdthema en de overgang ervan zijn verwerkt in het tweede thema in de paralelle F-majeur toonsoort. Dit is een vrij substantieel deel van de expositie, halverwege het tweede thema. Merk op het ritmische motief ba-ba-ba-BUM van 4 achtste noten, waarbij die laatste BUM altijd op een noot belandt die veel lager is dan de eerste (vergelijkbaar met de opening van de 5e symfonie van Beethoven?).
Het langzame tweede deel van de symfonie is gebaseerd op een paar langzame thema’s die opnieuw zijn ingekaderd in de sonatestructuur (expositie-doorwerking-reprise). De tweede thema is bijzonder mooi; een lyrische melodie die je gemakkelijk zou kunnen verwarren met Mozart (op een goede dag).
Vervolgens een menuet + trio derde deel, wat geen bijzonderheid is, alhoewel het menuet zo gekarteld is en vol tutti, afwisselend met concertino, dat de deftigheid die de dans oorspronkelijk had, hier zeker wordt teniet gedaan. De brutale syncope van de opening, gecombineerd met de extreme uitbuiting van het melodisch materiaal (nauwelijks meer dan arpeggio’s in een tweestemmige imitatie), geeft een uitgesproken en welkome Haydn-smaak aan het geheel.
Arriaga laat het meest indrukwekkende vertoon van zijn ontluikende compositietalent over aan het Allegro con moto van het laatste en vierde deel, waar we terugkeren naar de onstuimige sfeer van de opening. Toegegeven, de kloppende begeleiding en het onrustige maar energieke thema doen sterk denken aan Mozarts 40e symfonie. Maar misschien is het commentaar van Alan Pedigo niet helemaal op zijn plaats, door te beweren dat de beweging “op smaak is gebracht met variaties op het ritme en de melodie van de Fandango-dansvorm uit Andalucia.” De na-pikkende akkoorden in de houtblazers anticiperen op de meer gewelddadige uitbarstingen van de strijkers wanneer het eerste thema eindigt en overgaat naar het tweede themagebied. We hebben dan dus te maken met een nogal gevaarlijke dans. De ontwikkeling is kort maar op zijn manier substantieel, en op een gegeven moment begint er gewoon een fuguetto gebaseerd op het tweede onderwerp. Waar het moeiteloos en onverwachts overgaan in fuga kenmerkend was voor Beethovens latere stijl, lijkt het voor de jonge Arriaga ingegeven door een combinatie van opschepperij en loslopende vreugde in het contrapunt waar zijn docent, François-Joseph Fétis, zo van hield.
Het aangepaste overgangsgedeelte van de reprise (Recap) is het meest opmerkelijke deel van de symfonie. Om te begrijpen wat hier gebeurt, moeten we teruggaan naar de expositie en kijken hoe Arriaga van de D-mineur van het eerste thema naar F-majeur van het tweede thema gaat. De strategie daar is al een beetje vreemd, omdat het een passage betreft die ons heel snel naar een chromatische bestemming (C-mineur) brengt als onderdeel van een reeks van hele toonsafstanden. Het uiteindelijke doel is de toonhoogte Bb, die fungeert als de zevende van een neerwaartse arpeggio C-dominant voor F-majeur.
De vraag die Arriaga zichzelf moet hebben gesteld, is “hoe verander ik deze overgang in de reprise zodat ik ‘terug’ in D terechtkom?” Zijn antwoord is om de chromatische gebeurtenis zo te veranderen dat het de dominant A beïnvloedt in plaats van de tonica D. Het resultaat is een onverwachtse beweging van A-majeur naar Ab-majeur. Toegegeven, dat laatste akkoord heeft een overgangskarakter, wat leidt tot verdere sequensmatige verval helemaal naar Gb (verminderde IV-e trap in de toonsoort?!). Maar het blijft een verbazingwekkend gedurfde muzikale verschuiving naar de meest afgelegen toets die er is (Ab in de toonsoort van D is een verminderde V-e trap?). De verrassingen gaan door, wanneer Gb wordt geënharmoniseerd als F# en ‘weer omhoog’ klimt naar het Ab-akkoord (nu te horen als G#-akkoord), wat uitkomt op A majeur als de juiste dominant voor het 2e thema.
Voor degenen die bovenstaande niet begrijpen, is hier links een kleine samenvatting van het proces zoals het in beide gedeelten voorkomt, uitgewerkt om de overeenkomsten en verschillen in aanpak te laten zien.
Arriaga’s symfonie is, ondanks deze oogverblindende ontwikkeling, uiteindelijk een nogal conventioneel behoudend stuk. Toch moeten we niet vergeten dat het werd geschreven toen hij nog een componist in opleiding was. Als zijn leven niet zo kort was geweest, zou Juan Arriaga misschien wel een van de meest bezongen symfonische componisten van het vasteland van Europa zijn geworden.
Tekst: Frank Lehman (vertaald en bewerkt door Jurgen van der Ent)
Bekijk en speel mee
Download (nieuwe partijen!) en studeer
- Fluit 1 & 2
- Hobo 1 & 2
- Klarinet 1 & 2 (let op: in C!)
- Fagot 1 & 2
- Hoorn 1 & 2
- Trompet 1 & 2
- Pauken
- Viool 1
- Viool 2
- Viool 2 deel 4 Let op: 3 partijen: in tweetallen één partij spelen
- Altviool
- Cello
- Contrabas
- Partituur