Op deze pagina vind je een achtergrond verhaal over één van de stukken waar we nu aan repeteren.
Felix Mendelssohn Bartholdy – leven in beweging, leven in natuur
Wie was Felix als mens?
Er zijn mensen die muziek schrijven, en er zijn mensen die hun leven omzetten in muziek. Felix Mendelssohn Bartholdy hoorde bij die laatste groep.
Hij werd geboren in 1809 in Hamburg, in een wereld die tegelijkertijd open en begrensd was. Zijn grootvader, Moses Mendelssohn, had als Joods filosoof gestreden voor erkenning, voor een plaats in een samenleving die niet vanzelfsprekend ruimte bood. Die geschiedenis lag onder het oppervlak van zijn jeugd, stil aanwezig. Zijn vader Abraham koos ervoor zijn kinderen een andere weg te geven, liet hen dopen en voegde een naam toe: Bartholdy. Geen breuk, maar een beweging. Een poging om grenzen te verzachten en de toekomst open te leggen. Zo groeide Felix op met een naam die al iets van zijn leven voorspelde—meervoudig, gelaagd, in beweging.
Zijn jeugd speelde zich af in Berlijn, in een huis dat meer weg had van een stroom dan van een ruimte. Mensen kwamen en gingen, dichters, denkers, musici. Gesprekken vloeiden over in muziek, muziek in stilte, stilte weer in nieuwe gedachten. En ergens in dat geheel zat een jongen, vaak stil, maar niet passief. Hij keek. Hij luisterde op een manier die verder ging dan horen. Hij nam waar, alsof hij begreep dat alles betekenis kon krijgen—later, ergens, in een andere vorm.
Naast hem zat Fanny. Altijd Fanny. Zijn oudere zus, even gevoelig, even getalenteerd. Wat zij samen hadden, was geen competitie maar een vanzelfsprekende eenheid. Ze speelden, dachten, voelden in dezelfde richting. Hun muziek was een gesprek zonder woorden. Juist daarom werd het zo voelbaar toen dat veranderde. Toen Fanny haar eigen leven vormgaf, ontstond er ruimte waar eerst vanzelfsprekendheid was. Alsof een stem die altijd had meegeklonken, een andere plaats innam. Het is verleidelijk om te denken dat je die verschuiving hoort in zijn muziek, in de manier waarop lijnen elkaar zoeken, elkaar vasthouden en soms net niet raken.
Felix was sociaal, hij hield van mensen
Felix’ leven bleef een leven tussen mensen. Hij zocht die nabijheid op, had haar nodig. Vriendschappen waren geen rand, maar kern. Eduard Rietz, de violist, voor wie hij zijn Octet schreef—een stuk dat bruist van energie, alsof het zelf wil ademen. Carl Klingemann, zijn reisgenoot, zijn spiegel, iemand met wie hij kon delen wat hij zag en wat hij niet direct kon begrijpen. In Weimar speelde hij voor Goethe, de oude dichter die belichaamde wat cultuur kon zijn. In Rome ontmoette hij Berlioz, een andere geest, grilliger, minder gebonden, maar juist daarom van waarde. Zijn muziek ontstond niet vanuit afzondering, maar vanuit ontmoeting, als antwoord op wat de wereld hem aanreikte.
Felix reist graag
En die wereld zocht hij op. Niet als toerist, maar als deelnemer. Reizen betekende voor hem geen ontsnapping, maar verdieping. Hij zat in koetsen die kraakten over onverharde wegen, ging te voet over paden die zich langzaam ontvouwden, voelde hoe afstand tijd werd. Hij keek anders wanneer hij reisde, misschien aandachtiger, alsof hij wist dat alles wat hij meemaakte later een andere vorm zou kunnen aannemen. Hij schreef brieven naar huis, maakte schetsen, hield vast wat anders voorbij zou gaan.
Felix als beeldend kunstenaar
Hij schilderde ook. Kleine aquarellen, helder, precies. Florence, Den Haag, Schotland. Niet groots, niet zwaar, maar licht en doordacht. Alsof hij met kleur deed wat hij met klank deed: een moment laten bestaan voorbij zichzelf. In zijn beelden en zijn muziek zit dezelfde aandacht, hetzelfde verlangen om iets te bewaren dat eigenlijk niet vast te houden is.
Felix te midden van de natuur
En dan is er de natuur. Niet als decor, maar als ervaring. In zijn tijd werd natuur gezien als iets wat je kunt voelen, als een spiegel van wat in je leeft. Voor Mendelssohn was dat geen idee, maar werkelijkheid. Hij stond in die natuur, voelde haar, liet zich door haar beïnvloeden. Zijn muziek probeert niet te beschrijven hoe iets eruitziet, maar hoe het voelt om erin te zijn.
Dat wordt misschien het duidelijkst in 1829, wanneer hij met Klingemann naar Schotland reist. Hij is twintig, open, nieuwsgierig. Ze trekken door het land, voelen hoe het verandert, hoe de ruimte zich opent. Aan de westkust stappen ze op een schip. De zee wacht niet. De golven zijn er, groot, onrustig, dwingend. Het schip beweegt, stijgt en valt, en Felix, die zo scherp kan waarnemen, ervaart nu zijn eigen lichaam als deel van die beweging. Hij wordt zeeziek, uit balans. Het is geen verheven moment, maar een rauwe ervaring. En toch gaat hij door.
Felix en Fingal’s Cave
Wanneer ze het eiland Staffa bereiken, stappen ze over in kleine boten. Roeiers brengen hen naar de grot. Het water beweegt nog steeds, slaat tegen de rotsen, lijkt geen rust te kennen. En midden in die beweging gaan ze naar binnen, Fingal’s Cave. De basaltzuilen rijzen omhoog, onregelmatig en toch ordelijk. Het geluid draagt zich voort. Alles weerklinkt. Binnen en buiten vloeien samen.
Klingemann noemt het een orgel van steen. Een kathedraal zonder mens. Felix zwijgt.
Maar kort daarna schrijft hij aan Fanny:
“Om je te laten begrijpen hoe buitengewoon de Hebriden mij geraakt hebben, kwam het volgende daar in mij op…”
En hij schrijft geen woorden meer. Hij schrijft muziek. De eerste maten van wat The Hebrides zal worden.
Daar, in die beweging, ontstaat geen beschrijving maar een vertaling. De zee wordt ritme. De ruimte wordt klank. Het wiegen van het schip, het zoeken naar evenwicht, de eindeloze herhaling van golven—het leeft in de noten. De muziek is geen afbeelding. Het is een ervaring.
En wie het speelt, herkent dat.
Je hoort de zee niet alleen.
Je voelt haar.
Het leven van Felix na Schotland
Zo beweegt zijn leven verder. Werk na werk, reizen, dirigeren, organiseren. Hij wordt geliefd in Engeland, brengt muziek tot leven, richt een conservatorium op, geeft Bach opnieuw een stem. Zijn leven is intens, vol, gedragen door energie en verwachting. Ondertussen groeit zijn gezin. Met Cécile krijgt hij vijf kinderen. Er is een thuis, een tegenwicht, een plek die blijft terwijl hij beweegt.
De laatste jaren van Felix en van Cecile
Maar het leven houdt die balans niet vast. In 1847 overlijdt Fanny plotseling. Het raakt hem diep, alsof die eerste verschuiving zich opnieuw aandient, maar nu definitief. Zijn lichaam volgt die breuk. Beroertes, uitputting. Kort daarna sterft hij, 38 jaar oud. Jong, abrupt, midden in het leven.
Hij laat een vrouw achter, en vijf kinderen.
Cécile leeft nog enkele jaren, draagt zorg, bewaart wat mogelijk is te bewaren.
De kinderen groeien op met een herinnering die langzaam muziek wordt.
De nalatenschap van Felix en wij
En misschien is dat wat muziek doet. Dat ze loskomt van degene die haar schreef, en opnieuw ontstaat in andere handen. Zoals nu.
Want ook bij ons ligt The Hebrides op de lessenaar. Onder leiding van Ilia Belianko zoeken we naar diezelfde beweging. Niet naar een perfecte uitvoering, maar naar iets wat ontstaat. Tussen ons. In hoe we luisteren, hoe we reageren, hoe we samen ademen.
Deventer , 23 Juni 2026
Annelies van den Berg
Bronnen:
Britannica Editors (z.j.) Felix Mendelssohn. Encyclopaedia Britannica.
Britannica Editors (z.j.) The Hebrides, Op. 26. Encyclopaedia Britannica.
Library of Congress (z.j.) Felix Mendelssohn-Bartholdy, 1809–1847.
Mendelssohn, F. (1829) Brief aan Fanny Mendelssohn-Bartholdy.
Todd, R.L. (2003) Mendelssohn: A Life in Music. Oxford: Oxford University Press.
