Inleiding

De violiste Leonora Stosch die speelde bij het concert waar de orkestversie zijn première in Londen beleefde.
Chanson de Matin (Ochtendlied), Op. 15, nr. 2, is een muziekwerk gecomponeerd door Edward Elgar voor viool en piano, en later georkestreerd door de componist. De eerste publicatie was in 1899, hoewel men denkt dat het vrijwel zeker in 1889 of 1890 is geschreven.
Elgar componeerde ook een “begeleidend” stuk, Chanson de Nuit, Op. 15, nr. 1. Voor sommige critici is Chanson de Matin het minst diepgaande van de twee werken, maar de frisse melodieuze aantrekkingskracht heeft het populairder gemaakt.
De orkestversie van het werk werd twee jaar later gepubliceerd en voor het eerst uitgevoerd, samen met Chanson de Nuit, tijdens een Queen’s Hall Promenade Concert onder leiding van Henry Wood op 14 september 1901.
Elgar citeert kort de melodie in het tweede deel van zijn Strijkkwartet in e klein uit 1918.
Structuur
Allegretto, 2/4, G majeur
Omdat Elgar zelf violist is, wordt de hoofdmelodie van het stuk (zie boven) door het dit instrument gespeeld.
Over de versie voor viool en piano:
Na een korte introductie van twee maten op de piano zweeft de viool hoog met een G en zingt het eerste deel van het lied. Hierna neemt de piano het stokje over voor een korte passage voordat hij het teruggeeft aan de violist. Dit patroon komt opnieuw voor. Als het einde nadert, zingt de viool een geaccentueerde G en vervolgens een B, terwijl de piano het langzaam ten einde brengt. Het betekent ‘ochtendlied’
Instrumentatie
Elgar schreef Chanson de Matin (en Chanson de Nuit) voor een klein orkest bestaande uit één fluit, één hobo, twee klarinetten, één fagot, twee hoorns, de strijkerssectie en een harp.
